Willy Boers

Door Drs. Elmyra van Dooren, Januari 2013

Inleiding

Willy Boers

Willy Boers, Atelier Bellamystraat, Amsterdam 1962.

De schilder Willy Boers wordt geboren op 13 oktober 1905 te Amsterdam en overlijdt er 13 mei 1978, op 72-jarige leeftijd.

Een wat deftige, bevlogen Mijnheer die, zijn hele leven gestaag doorwerkend in zijn grote Amsterdamse atelier, zich ontplooit tot absoluut abstract kunstenaar. Na een opleiding middelbare handelsschool en een korte loopbaan als restaurateur, kiest hij definitief voor het kunstenaarschap. Direct na de Tweede Wereldoorlog behoort Willy Boers tot de weinige Nederlandse schilders die de moed had om binnen de serieuze Kunst van Europa, de beslissende stap te zetten van figuratief naar abstract schilderen. Dit onstuitbare proces, dat eigenlijk al voor de oorlog begonnen was, heeft hij praktisch uitgevoerd in het hart van de naoorlogse schilderkunst. Hij speelde een centrale rol bij de vorming van twee abstracte kunstenaarsgroepen: Vrij Beelden (1946) en Creatie (1950). De kleine groep kunstenaars rond Vrij Beelden en Creatie vertegenwoordigde zeker geen eenduidige stijl; het waren individuen met elk een eigen zicht op het gestelde gemeenschappelijke doel. Dat betekende wel eens ‘vervuiling’ van de doelstelling: kunstenaars die het niet zo nauw namen met dat ‘abstracte’ van de abstracte kunst. Heftig waren dan de discussies over ‘abstract’ of ‘non-figuratief’ of ‘absoluut abstract’ en ‘integraal expressionisme’. Het is de verdienste geweest van Willy Boers dat hij een groep heeft weten te formeren die Abstracte Kunst als gemeenschappelijke prioriteit erkende. De abstracte schilderijen moesten uitdrukking geven aan een gevoel van vrijheid. De vrijheid die nodig was om te komen tot een ‘Vrij Beelden’. Voor de oorlog waren lijn, materiaal, kleur en ritme in het figuratieve schilderij onderworpen aan een realistische weergave. Hierdoor waren ze beroofd van hun wezenlijke functie. Willy Boers haalt in zijn heftig bewogen abstracte kunst de eigenlijke autonome krachten terug. Zuiver, direct en zonder intermediaire vormen gebruikt hij alle beeldende middelen om zijn filosofische, mythe-scheppende sensibiliteit van leven uit te drukken.

Willy Boers, 1947, olieverf op doek, ‘In zichzelf verdeeld-verdoemd tot eenzaamheid’.

Willy Boers, 1947, olieverf op doek, ‘In zichzelf verdeeld-verdoemd tot eenzaamheid’.

‘Vrij Beelden’ was een artistiek keerpunt. Naast rasechte schilder was Boers een begaafd auteur. Artikelen over beeldende kunst van zijn hand verschenen in Kroniek van Kunst en Kultuur, De Vrije Katheder en Vrij Nederland en vonden gretig aftrek. Als kunstenaar had Boers vele contacten in binnen- en buitenland en was actief bij het opzetten van organisaties en door zitting te nemen in tal van besturen en commissies. Zijn hele succes is het werk geweest van één man: Willy Boers was binnen de kunstenaarsgroepen Vrij Beelden en Creatie een kunstenaarspersoonlijkheid. Hij was gewoon uniek. Naar hem werd geluisterd.

1930-1940: beginjaren. Realisme, Nieuwe Zakelijkheid en een gematigd Kubo-Futo-Surrealisme

Boers schildert landschapjes, portretten en stadsgezichten. Allemaal keurig realistisch. Of zoals een criticus in 1936 het noemde: “zielloze natuurimitaties”. Maar de criticus van de Bussumsche Courant ontdekte een meer romantische opvatting in een groot damesportret dat “veel bewogener, zachter en gevoeliger is geschilderd. Er leeft een innigheid in ogen en mond, en de knappe techniek heeft deze warme sfeer nog verhoogd. In het algemeen: veelbelovend werk van een serieus schilder die nog alle kanten uit kan”. Zo stond Boers er dus voor in 1936. Hij was toen 31 jaar oud, gehuwd met zijn inmiddels tweede vrouw Anne Eekman en pendelde op en neer tussen Amsterdam en Parijs of Zuid-Frankrijk waar zijn broer Frans en echtgenote Claire eveneens een kunstenaarsbestaan leefden. Parijs was na 1945 de zetel van de meest spirituele en verfijnde cultuur van Europa en de hogeschool van de koude abstracte kunst . Het succes van de ismen (Expressionisme, Cubisme, Constructivisme, Futurisme,Tachisme en Surrealisme) hun invloed, kon men natuurlijk niet met wortel en tak uitroeien.

In 1937 is de doorbraak van Boers naar de Abstracte Kunst profetisch geanalyseerd door een criticus in de Kroniek van Kunst en Kultuur: “Ik voorzie dat Boers een schilder wordt van een meer psychisch klinkend Realisme dan hij tot voor kort leek, want op de laatste schilderijen was een ‘werkelijkheid’ te zien, anders dan die waarop zij steunt: er was daar een psychische spanning overgebracht op de kleur in het bindend-eenvoudige ritme dat het vlak doet leven uit eigen kracht. In tien jaar tijd is Willy Boers langzaam en zeker zijn eigen weg gegaan. Thans zie ik die gekomen waar het eigenlijke schilderen begint. Dat is niet waar het vast zit aan de wereld, maar waar het ik is en daarin een eigen wereld”.

1940-1945: oorlogsjaren, overgangsperiode van figuratief naar abstract schilderen.

Vanaf 1929 was Willy Boers lid van De Onafhankelijken, een revolutionaire Amsterdamse groep, daarom wel de linkse artiestenclub genaamd, met buitenlandse gasten als Chagall, Van Dongen en Kandinsky. Hij is de Onafhankelijken trouw gebleven tot 1941. Toen werd het joodse leden verboden aan exposities deel te nemen. “De oorlog kwam, velen trokken zich uit het verenigingsleven terug”. Boers bedankte voor alle lidmaatschappen en weigerde lid te worden van de Kultuurkamer.

Willy Boers, november 1939, werkend aan het beeld ‘Masker’.

Willy Boers, november 1939, werkend aan het beeld ‘Masker’.

Een deel van de oorlog zat Boers ondergedoken onder andere in Limburg waar hij met zijn gezin in leven kon blijven door aquarellen te ruilen tegen boter, kaas en eieren. Zo ontstaan in 1944 kubistische stadsgezichten met doorschijnende geometrische facetten. Tussen mei 1940 en juli 1942, had hij maar liefst tien tentoonstellingen. De kritiek volgde zijn prestaties op de voet. In het Algemeen Handelsblad verschijnt in 1941 de volgende recensie: “Men weet dus dat de kunst van deze schilder allengs aan rijkheid en persoonlijk karakter, aan noblesse van kleur en aan zuivere vormbeheersing heeft gewonnen. Willy Boers streeft naar het mooi gemaakte, evenwichtig opgebouwde harmonische schilderij, dat als een bekoring voor het oog, de aandacht niet te sterk van de picturale waarde afleidt door een krachtig geaccentueerde gevoelsinhoud. Hij kan daardoor gelden voor een van de goede vertegenwoordigers van een richting die kenmerkend begint te worden voor de moderne Nederlandse schilderkunst.”

1945-1955: absoluut abstract met invloeden van Action Painting en Tachisme. Periode van Vrij Beelden en Creatie.

Terugkijkend schreef Willy Boers in het Nieuw Utrechts Dagblad van 1958: “De oorlog had je door elkaar gegooid. Zekerheden waren weggevallen. Je had geen contact met je collega’s, er waren geen tijdschriften en je was volkomen op jezelf geconcentreerd. Toch had je het gevoel dat de esthetische vormen moesten worden herzien. Bij het herstelde contact na de oorlog bleek dat gevoel bij collega’s in het land en zelfs over de grens te leven”. Boers’stijl verandert dan ingrijpend. “Die verandering in mijn werk” verklaarde hij later bij een interview in 1973, “is gekomen door de destructie van de oorlog, door de vernietiging van alle morele waarden die daarvoor geldig waren. Omdat die helemaal verbroken waren, kon ik naar mijn gevoel onmogelijk op die oude wijze (ik gold tot de Realisten destijds met stillevens en strenge landschappen) verder werken. Midden in de oorlog is mijn werk steeds abstracter geworden en daarna is het volkomen abstract. Dat is door de oorlog gekomen’.

Willy Boers, 1951, ‘Vreemde Stilte’, olieverf op doek.

Willy Boers, 1951, ‘Vreemde Stilte’, olieverf op doek.

‘Kunst in Vrijheid’ is de titel van de eerste grote overzichtstentoonstelling in 1945 van Nederlandse kunst na de oorlog in het Rijksmuseum in Amsterdam. Willy Boers was jurylid, medeorganisator en secretaris. Hij mocht het affiche voor deze tentoonstelling ontwerpen en hoogstpersoonlijk Hare Majesteit de Koningin (Wilhelmina) rondleiden. Het Parool concludeert dat “Willy Boers met zijn ‘Bevrijdingsfeest’, een symfonie van kleur en beweging, de sterkste indruk maakt”.

“Uw werk op de tentoonstelling Kunst in Vrijheid herinner ik mij nog zeer goed” schrijft de bekende kunstverzamelaar Regnault aan Willy Boers in 1946. “Het heeft mij destijds getroffen door de grote verandering in opvatting, en de veel levendiger kleur. Tegenover het vroegere echter, deed het mij nog wat onrustig aan. Naar ik vertrouw zult U deze tekortkoming weten te overwinnen”.
Deze ’tekortkoming’ zou kort daarop juist Boers’specialiteit worden wanneer zijn oorspronkelijke aard opbloeit in een wild groeiend Abstract Expressionisme.
De criticus van De Tijd voelde haarfijn aan hoe het verder zou gaan met de ‘Kunst in Vrijheid’: “Toch is het een intrigerend probleem of uit de vele manieren die de hedendaagsche Nederlandse schilderkunst te zien geeft, en die voor een groot gedeelte op de bodem van een sterk internationalisme staan, zich niet een leidende groep of beweging zal losmaken die de stijl van een époque kan bepalen”. Ondertussen brak Willy Boers brak zich het hoofd over het verband tussen ‘vrije gedachte-vrije vorm’. “Kunst in Vrijheid”, zei hij in een interview in 1973, “daaruit bleek dat er in de oorlog schilderkunstig gezien praktisch niets was veranderd. Ik vond toen dat “Kunst in Vrijheid” natuurlijk geweldig was, maar dat het vooral om de vrijheid van de kunst ging. Alles waar we altijd in geloofd hadden, het recht, de rede, de moraal waren tot holle frasen geworden. We konden niet blijven door schilderen zoals we altijd gedaan hadden. Als je er over nadenkt, kun je niet één abstracte kunstenaar aanwijzen die fout was”. Deze woorden vormen de kwintessens van de groep die hij gaat vormen tot ‘de stijl van een époque’.

Als Boers in 1946 op uitnodiging van een Zweedse kunstenaarsvereniging twee maanden in Zweden verblijft, wordt hij gefascineerd door de rijkdom aan kleur en vorm in de Zweedse weefkunst en in het Zweedse landschap. In zijn gouaches en krijttekeningen worden kleur en vorm belangijker dan de voorstelling. Dit is duidelijk te zien aan de heldere compositievorm met ingekleurde Kubistische vlakjes en meer abstracte landschappen in zachte pastelkleuren die wegzinken in donkere contouren. Vrij snel na het Zweedse experiment krijgt deze ontwikkeling in de richting van Abstracte Kunst in 1946 zijn beslag in de oprichting van de kunstenaarsvereniging Vrij Beelden. Met elf andere schilders (Peter Alma, Frans Boers, Anton Jan Cozijnsen, Frieda Hunziker , Wim Kersten, Harry van Kruiningen, Piet Ouborg, Portheine ( Ger Gerrits), Wim Sinemus, Friedrich Vordemberge Gildewart, André van der Vossen, Tage Hedquist (Stockholm) en Will (Wil Leewens) die aan de tentoonstelling ‘Kunst in Vrijheid’ hadden deelgenomen vormt Willy Boers eerst de groep ’12 Schilders’, die in 1946 exposeert in het Amsterdamse Stedelijk Museum vervolgens, in 1947 de groep ‘12 Schilders + 2 invité’s’. Deze groep wilde een stap verder gaan dan de ’12 Schilders’ en zich uitsluitend richten op de Abstracte Kunst. De laatste tentoonstelling waarmee ‘De 12’ het vrije land bestoken vindt plaats in 1946 in Zwolle onder de titel: ’12 moderne schilders’. Willy Boers verricht zoals gebruikelijk de opening. Over het algemeen verwijt de pers Vrij Beelden meer reactionair dan modernistisch te zijn. Het Utrechts Katholiek Dagblad waagt het evenwel waardering op te brengen voor het talent van Willy Boers: “Boers maakt zijn imaginaires aanneembaar en het werk is de vrucht van een degelijk vakmanschap. Men krijgt de indruk van een begaafd kunstenaar”.

Kunstenaars groep Creatie, 1953. Voorgrond v.l.n.r.: Wim Strijbosch, Wim Crouwel en Juul Neuman. Midden Greet van Amstel en Hans Ittmann, boven v.l.n.r Armando, Kees Keus, Ger Gerrits en Willy Boers.

Kunstenaars groep Creatie, 1953. Voorgrond v.l.n.r.: Wim Strijbosch, Wim Crouwel en Juul Neuman. Midden Greet van Amstel en Hans Ittmann, boven v.l.n.r Armando, Kees Keus, Ger Gerrits en Willy Boers.

Wat was precies Vrij Beelden? Boers spreekt zelf van een ‘geestelijke wending’. Het was een devies, een leuze voor een nieuwe ontwikkeling van vrije kunst in een bevrijde maatschappij. Een kunst waarin vrijheid van verbeelding, vrijheid van uiten betekent. Niet meer gebonden zijn aan de natuur, aan een naturalistische voorstelling of een optische werkelijkheid. Het was de persoonlijke verwerking van vooroorlogse stromingen zoals het Expressionisme, Kubisme, Surrealisme en de Abstracte Kunst. Voor Willy Boers en de leden van Vrij Beelden betekende dit een volledig abstracte stijl en een andere werkwijze. Vrij Beelden was het enige criterium.

In 1948 verschijnt in de Kroniek van Kunst en Kultuur een artikel van Willy Boers met de veelzeggende titel: “Kentering in onze schilderkunst?” Boers veronderstelde dat de ontwikkeling van de schilderkunst was aangeland bij een kentering veroorzaakt door de “innerlijke noodzakelijkheid”, een begrip afkomstig van Kandinsky (1866-1944), waarmee hij doelde op de allesbeheersende spirituele basis van de schilderkunst.
Door de oorlog was het geestelijk leven zodanig geschokt, dat de kunstenaars zich genoodzaakt voelden een nieuwe vorm te vinden voor de nieuwe gevoelsinhoud met nieuwe gevoelsschakeringen. Gedwongen door een’ innerlijke noodzaak’ moest de oude vorm worden prijsgegeven om de laatste consequentie van een ‘Vrij Beelden’ te kunnen realiseren.

De olieverfschilderijen uit 1947 op doek of board vertonen abstracte Cubistische en Futuristische vormen met een rijke textuur. Tegen een donker wervelend oppervlak met een lakachtige dikke pâte, met zwarte lijnen, stippen en inkrassingen, lichten de kleuren op als bliksemschichten. Bij de gouaches worden de kleurvlakjes tekenachtig precies, gelinieerd in transparante lagen met uiterst fijne zwarte streepjes. Typerend voor de hele periode van Vrij Beelden is het gebruik van typische profielen zoals diabolo’s, vlaggetjes, driehoekjes, vierkantjes of halve maantjes.

Willy Boers, 1948, ‘Streven naar hoger’, gouache.

Willy Boers, 1948, ‘Streven naar hoger’, gouache.

In de olieverfschilderijen van 1949 ontstaat allengs een geprovoceerd tachisme. De verf is heel dun opgebracht tegen een dicht gemarmerde groen-blauwe, grijzige ondergrond met kleurrijke ballonvormige tekens en zwarte vlekken. De gouaches zijn zeer diffuus opgebouwd, transparant bijna met een vitesse als die van Miró. (1893-1983)

Toen de jonge groep Vrij Beelden pretendeerde te willen samenwerken met de wat oudere Cobra-schilders op het atelier van Karel Appel, waarschuwde Constant al: “pas op daar komen de Heren!” Het was duidelijk dat de Cobra-kunstenaars niets moesten hebben van het deftige optreden. Willy Boers had wel iets Haags als een echte Mijnheer. Een poging om met de Realisten samen te werken liep eveneens uit op een fiasco. De Realisten hebben met grote verontwaardiging de aftocht moeten blazen na een vernietigende kritiek van Vrij beelden. Uiteindelijk is Vrij Beelden zelf ontbonden door interne persoonlijke conflicten als op 12 augustus 1948 de breuk tussen collega Frieda Hunziker en Willy Boers een feit is. Deze twee Vrij Beelden leden hadden gedurende de oorlog samengewerkt tot het moment waarop Willy Boers na de oorlog een oude vriendin ontmoet die Auschwitz had overleefd: Greet van Amstel, beeldend kunstenaar en schrijfster. Zij zou voor de rest van zijn leven ‘mijn Greet’ worden. Frieda, die goede contacten had met het Stedelijk Museum beraamde zelfs een anti-Boers ‘coupe’. Tot een echte coupe is het nooit gekomen, maar op dat moment was het voor Boers onmogelijk geworden in het Stedelijk Museum te exposeren.

De enige steun die Boers na opheffing van Vrij Beelden nog ondervond kwam van Ger Gerits. De twee geestverwanten voelden zich uitgesloten van expositiemogelijkheden in het Stedelijk Museum. Uit angst slachtoffer te worden van een vileine samenzwering, en omdat zij geloofden in de werkelijkheid van absoluut Abstracte Kunst, bezield als zij waren door de noodzaak daartoe, richtten Boers en Gerrits in 1950 een eigen vereniging op onder de naam ‘Creatie’ met de belangrijke toevoeging ‘kunstenaarsvereniging van Absolute Kunst’. Creatie was de eerste kunstenaars-vereniging die zich volledig inzette voor de abstracte kunst. Vrij Beelden was in hun ogen nog veel te figuratief. “Er liepen nog te veel koetjes in de wei” aldus Boers. Creatie noemde zich bolwerk van de eerste absoluut Abstracte Kunst in Nederland na 1945. Aan de tentoonstelling van Creatie in 1950 (Creatie had in haar korte bestaan van 1950 tot 1954 slechts vier tentoonstellingen) namen de volgende kunstenaars deel: de oprichters Willy Boers en Ger Gerrits met daarnaast Klaas Boonstra, Eugène Brands, Simon Erb, Hans Ittmann, Kees Keus, Mark Kolthoff, Juul Neumann, Anton Rooskens, Jaap Stellaart, Wim Strijbosch, Piet van Stuyvenberg, Emil Voeten, André van der Vossen en Andor Weininger.

Willy Boers, 1951, gouache.

Willy Boers, 1951, gouache.

Deze eerste tentoonstelling van Creatie wekte, zoals te verwachten was, een storm van kritiek. Maar volgens de Gooi- en Ommelanden van 1951 bracht Boers het er goed van af met zijn Loeki’s bar aan de Rozengracht in Amsterdam: “Een van de aantrekkelijkste inzendingen vormen ongetwijfeld de wandschilderingen van Willy Boers (Loeki’s bar). Zonder enige voorstelling natuurlijk, vult hij het vlak met allerlei door elkaar wriemelende lijnen, cirkels, krabbels en kleurtjes, waardoor het geheel een plezierig kladschrift vormt in aangename toon en beweging en nog het meest doet denken aan de confetti-regen en serpentine-slierten van een opgewekt carnavalsfeest.”

Na de breuk met Vrij Beelden exposeert Boers voornamelijk in het buitenland. Dankzij de goede contacten via zijn broer Frans in Parijs heeft Willy Boers tussen 1948 en 1951 vier keer op de Salon des Réalités Nouvelles mogen exposeren en de pers was vol lof: “Willy Boers heeft gekozen voor non-figuratieve schilderkunst. Hij noemt zijn methode integraal expressionisme”.

In 1950 gaat Boers over tot een soort drippaintings à la Jackson Pollock. (1912-1956) Dikke en dunne verfpartijen worden overspoeld door een lijnenspel tegen een complexe ondergrond van indigoblauw. Het hele beeldvlak is diffuus gevuld met abstracte tekens.

De gouaches uit 1950 zijn nog lyrischer dan de olieverfschilderijen. Door de dikke krijtachtige ondergrond met diepe kleuren en door het ontbreken van ‘drippings’, ontstaat een verdichting van kleurstructuren. Wat de gouaches zo geweldig ritmisch en vitaal maakt zijn de vloeiende kleurbanen, het krachtige lijnenspel in een harnas van allerlei beeld-profielen.

In 1950 heeft Willy Boers samen met Ger Gerrits een abstracte wandschildering op board gemaakt voor de R.K. Dagnijverheidsschool Don Bosco in Amsterdam. De Cobrakunstenaars Eugène Brands en Anton Rooskens deden hetzelfde voor een belendend lokaal. Het geheel werd door de pers zeer geslaagd genoemd: “Opvallend is dat Boers en Gerrits over de hele wandschildering duidelijk hebben samengewerkt en stilistisch op elkaar waren afgestemd, terwijl de wand van Brands en Rooskens overkomt als twee min of meer aparte schilderingen”.

Willy Boers, 1952, Duistere Ontlading, olieverf op board.

Willy Boers, 1952, Duistere Ontlading, olieverf op board.

Volgens het Algemeen Handelsblad van 1951 oogstte Willy Boers een opzienbarend succes bij de openluchttentoonstelling in de galerij aan het Frederiksplein te Amsterdam: “Met muurschilderingen zijn we in Nederland niet verwend. Des te groter de verrassing op enige punten de grauwe en lang verwaarloosde muren beschilderd te zien door enige kunstenaars van wie Jan Bons, Bierman en Willy Boers uitstekend de vlakvulling hebben begrepen”.

In 1953 opent de schrijver Bert Schierbeek een tentoonstelling in Utrecht met schilderijen en gouaches van Willy Boers en plastiek van Greet van Amstel: “De verdienste van de Abstracte Kunst is, dat hierin de zichtbare wereld tot een probleem is geworden. Wij zagen niet dat de dingen een apart, eigen leven hadden binnen een niet zomaar zichtbaar verband. Wat de Abstracte Kunst doet als zij tracht de realiteit te ‘doorgronden’ is eigenlijk ontstellend reëel. De kunstenaar laat alleen achter de dingen een vreemde wereld zien: iets dat al het schijnbaar stilstaande doorkruist. Beide exposanten hebben, ieder op eigen wijze, getracht deze wereld te tonen. Boers is een optimistisch kunstenaar. Hij heeft zich volkomen losgemaakt van de straatstenen”.

De olieverfschilderijen op doek uit 1953 vertonen een uitgebalanceerde strakke compositie met krachtige tekening. De kleurvlakken zijn zorgvuldig ingevuld en egaal opgebracht met enkele zwarte tekens waarbij de kleuren beperkt blijven tot grijs, blauwgroen of bruingeel.

Bij de olieverfschilderijen op board in 1953 zijn de kleurvlakken juist pasteus opgebracht met dikke witte partijen die overschilderd zijn. De gouaches zijn dun, waterachtig geschilderd met snelle verftoetsen in zachte pastelkleuren. Soms overheersen zware zwarte vormen tegen een felblauwe achtergrond. Tenslotte zijn er gouaches met een typisch korrelig oppervlak en dieprode of blauwbruine tinten in de ondergrond.

Toen de discussies zich rond 1954 verlegden naar de toepassing van kunst in de architectuur en verder naar de integratie van deze twee disciplines waarbij abstracte kunst niet langer de hoofdzaak was, volgde Willy Boers zijn principes en ging zijn eigen gang. Hij zegt Creatie op.

In januari/februari 1954 houdt Creatie haar laatste tentoonstelling in de openbare leeszaal aan het Roelof Hartplein te Amsterdam. Een maand later op 9 maart 1954 wordt Creatie, de Vereniging voor Absolute Kunst, definitief opgeheven. Met slechts een korte mededeling in het Algemeen Handelsblad van 10 maart gaat een unieke avant-garde-vereniging ter ziele:

“De kunstenaarsvereniging Creatie, die zestien Nederlandse abstracte schilders en beeldhouwers verenigde, is gisteren bij een besluit van de ledenvergadering te Amsterdam ontbonden. Het is te verwachten dat op korte termijn het streven van de thans ontbonden groep in een nieuwe vereniging zal worden voortgezet”. Dat gebeurt inderdaad met de oprichting van Groep 54, een kunstmatige voortzetting van Creatie met een iets geringer ledenaantal. Een onsamenhangend groepje kunstenaars dat wanhopig steun zocht bij elkaar om als vereniging toch naar buiten te kunnen treden.

Willy Boers, 1954, olieverf op board.

Willy Boers, 1954, olieverf op board.

Groep 54 heeft maar één jaar bestaan. In 1955 wordt de Liga Nieuw Beelden opgericht. Een mammoetvereniging met honderden leden waaronder leden van Vrij Beelden, Creatie, Groep 54 en Cobra. De Liga betekende het definitieve einde van Vrij Beelden en Creatie. Hier begint een nieuw hoofdstuk over de integratie van schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur. Boers werd geen lid van de Liga omdat hij vond dat er, evenals bij het vroegere Vrij Beelden en Creatie, kunstenaars zaten die onvoldoende overtuigd abstract werkten. Toen Creatie werd opgeheven vanwege de breuk met de overige leden en Boers persona non grata was geworden, ging Armando met hem mee. Boers heeft Armando daarna nog vaak ontmoet en eind 1977 werd in Schiedam aan beide kunstenaars een tentoonstelling gewijd. Het zou de laatste tentoonstelling in leven zijn van Willy Boers.

Drie jaar na de opheffing van Creatie (1957) schreef Willy Boers: “Samenvattend moeten wij vaststellen dat deze nog zeer jonge kunstrichting, die in Amerika en Frankrijk reeds veel aanhangers telt, onmogelijk met de geijkte kunsthistorische normen beoordeeld kan worden. De moderne kunst verbergt haar latente inhouden niet meer zo krampachtig als de oudere scholen, althans volgende de normen van de psychologische kunstbeschouwing. Het stuk geestelijk leven dat in deze werken te voorschijn komt zal moeilijk met woorden omschreven, op zijn hoogst in symbolische vorm uitgedrukt kunnen worden. Steeds als men op het gebied van de beeldende kunst nieuwe wegen inslaat, zal de kritiek haar aan het verleden ontleende inzichten moeten herzien, want het probleem van deze schilderkunst is, evenals de schilderkundige problemen van alle eeuwen hetzelfde, namelijk een uitdrukking te vinden voor verhouding van de mens tegenover de tijd waarin hij leeft”.

Willy Boers, 1953, gouache.

Willy Boers, 1953, gouache.

Direct na de dramatische breuk met Creatie in 1954 slaat Willy Boers opnieuw zijn vleugels uit naar Parijs. Over zijn tentoonstelling bij Collection de Vidal de St Germain in Parijs met zeven olieverfschilderijen meldt De Telegraaf in 1954 dat “met zijn keuze uit een reeds omvangrijk oeuvre, Boers de laatste jaren merkbaar aan kwaliteit heeft gewonnen”.

1955- 1960: overgang naar materieschilderkunst

De olieverfschilderijen, meestal op board of op doek, ontwikkelen zich steeds verder in de richting van een zware materieschilderkunst. De verfhuid wordt dikker en wolliger. De witte verf lijkt wel structuurverf met hoogsels en inkrassingen van het paletmes in de lakverf. De diep gekleurde partijen zijn behoorlijk pasteus en stevig doorwerkt. Het zwart overheerst afgewisseld met rode klodders en soms felblauwe of roze en witte vlekken. De grote beweeglijkheid doet denken aan action painting. Ofschoon de gouaches eenzelfde verzwaring van oppervlak vertonen, blijven zij toch meer lyrisch abstract. Door het zeer snelle borstelwerk ontstaat een mozaïek van wollige kleurvlakjes waarbij gemarmerde partijen de huid een gesluierd aanzien geven van wittige verflagen die met krassen, spetters of waterklodders zijn aangebracht.

De kritieken in 1956 zijn opmerkelijk positief. Zo breekt Dolf Welling in De Rotterdammer een lans voor de Abstracte Kunst van Willy Boers op een solotentoonstelling in Schiedam: “ Wel, dat er in deze tijd beeldende kunstenaars te vinden zijn die een sterke persoonlijke stijl hebben, zonder dus navolgers van een of andere grootheid te zijn. De kunst van deze tijd, en dan voornamelijk de beeldende kunst, beweegt zich voor een zeer groot deel op abstract terrein. Dit is het geval met Willy Boers. Maar hier is niet direct meer een experimenteel zoeken, maar het opzetten van een doek vanuit een bepaald begrip in een sterk aansprekende eigen stijl. Wel is het een feit dat in het abstracte kamp goede en slechte kunstenaars zijn. De goede naar voren halen kan voor de kunstwereld in het geheel slechts een gevoelig oordeel zijn. Tot nu toe hebben wij kennis kunnen maken met kunstenaars die met recht naar voren gehaald moeten worden. Dat Willy Boers tot deze behoort is eveneens een feit”.

Willy Boers, 1959, ‘Dreigende aarde’.

Willy Boers, 1959, ‘Dreigende aarde’.

In 1958 komt het Nieuw Utrechts Dagblad met een nieuwe visie: “Boers is verliefd op de kleur en op felle contrasten. De intensiteit van de kleur is nog aanwezig, nieuw is het doorvoeren van het Expressionistische element. Zijn werk is bewogener, dramatischer dan vroeger. De expressie is in de verf gestold” en hij eindigt met: “Boers is onloochenbaar een fantast in kleur en lijn”.

De zware materiewerken werden de “De Borden” genoemd sinds de portier van Boers’ atelier wijzend naar de ruige gigantische doeken die het trapportaal blokkeerden, wanhopig had uitgeroepen: “Mijnheer Boers wat moeten we met die borden? “ Volgens Armando zijn het de beste werken van Willy Boers. ‘De borden’ zijn twee maal succesvol geëxposeerd in Witten an der Ruhr (1960 en 1963) en vervolgens in Zürich en Münster. De pers omschrijft het materiewerk als “Die Stimmen der Steine”.

1960-1970: Collages. Overgang naar een abstracte tekenkunst met invloeden van Pop Art.

De structuur van de olieverfschilderijen begint opmerkelijk te veranderen. De indeling wordt landkaartachtig, de composities zijn opgebouwd uit gekleurde vlakken. Een ontwikkeling die volgend op de materiewerken, doorzet in de schilderijen en later in de collages.

In 1960 opent Willy Boers zijn eigen tentoonstelling in Dordrecht onder de titel : ‘Hedendaagse beeldende activiteit’. Deze openingsrede maakte deel uit van een serie artikelen die hieraan voorafgingen en waarin Boers de Abstracte Kunst fel verdedigde met titels als ‘Abstracte Kunst in 1945’, ‘Schilderkunst van onze eigen tijd’, Stromingen in de Abstracte Kunst’ en ‘Wij leven in een merkwaardige tijd’. Volgens Dolf Welling in het Dordrechts Nieuwsblad weet Boers beter dan mening ander schilder wat je met verf kunt doen en wat je moet laten: “Wat hij thans toont behoort tot het stille, meditatieve werk met de kostbare verfmaterie, zoals het een openbaring was bij Poliakoff” (Russische schilder 1906-1969).

Dat de ‘Poliakoff-serie’ voor een kunstenaar van 55 jaar uitzonderlijk genoemd kan worden blijkt uit de kritieken van Gerrit Kouwenaar en George Lampe bij op een tentoonstelling in Amsterdam in 1960. Kouwenaar schrijft in het Vrije Volk:

Willy Boers, 1967, ‘High Way’.

Willy Boers, 1967, ‘High Way’.

“Hoe concreet een abstract schilderij kan zijn, bewijst als typisch extravert de Amsterdammer Willy Boers (55) die, na jaren niet in Nederland geëxposeerd te hebben, hier voor de dag komt met een serie sterke, evenwichtige en rijpe schilderijen. Zijn werk, merkwaardig korrelig, enigszins litho-achtig van materie, opgelegd in brede vlakken in hoofdzakelijk grijzen, zwarten, witten en een enkel rood, draagt onthullende wereldse titels zoals Sahara, Monument, Klaagmuur. Zijn abstractie is sterk symbolisch gericht; hij meet zijn stemmingen en gevoelens af aan buitenwereldse realiteiten die op zich weer een symbolische betekenis hebben”.

George Lampe is niet minder lyrisch in Vrij Nederland:

“De man achter het werk bleek zichzelf gebleven, zonder echter in het minst verstard te zijn. Hij gaat nog steeds zijn gang, zonder tam-tam, hetgeen dezer dagen op ernst wijst. Deze ernst is in het werk zonder meer terug te vinden en is uitgedrukt in de strenge soberheid ervan. De abstractie van het werk – een met inzicht beperkt palet, een in de hand gehouden verfstructuur – is tot een punt doorgevoerd waarin een nieuwe werkelijkheid ontstaat die ver staat van de steriele knutselachtige buitenkant waarmee men zich te dikwijls tevreden stelt. Men krijgt de indruk van ruimte, van muren, van rotsen, van aarde zonder dat er in afbeeldende, imitatieve zin sprake van is. Er is daardoor een surrealiteit – in de beste zin – in het werk, zonder een zweem van illusionisme. Het is ongetwijfeld zo, dat Boers in de beperkingen die hij zich oplegt – soms gaat het slechts om grijs, wit, blauw en zwart, – een goed stuk van wat jaren geleden zijn ontwikkeling in zet, heeft waar gemaakt”.

Willy Boers, 1961, mixed media.

Willy Boers, 1961, mixed media.

De stijl van de ‘de borden’, de olieverfschilderijen op doek of board blijft begin jaren zestig ruig, materie-achtig, opgehoogd met rijstkorrels, structuurverf of dikke klodders verf met hoogsels. De ruwe huid is met paletmes ingekrast zodat diepe groeven zichtbaar zijn gelijk een maanlandschap. De composities zijn weloverwogen met een strakke indeling in precieze rechthoekige of vierkante kleurvlakken. Het zwart is egaal opgebracht met zwaar aangezette rode tekens. De kleuren zijn beperkt tot zacht grijs met wit of lila als gevolg van de overschildering van een kleurige ondergrond. Nieuw is dat er nu papier wordt toegevoegd waardoor een gemengde techniek ontstaat: de ‘collages’. Hoe die tot stand komen heeft Boers als volgt beschreven:.. “in een mediamieke toestand, stel ik me passief open, ik ben zelf heel verbaasd over wat er uit mijn handen komt. Het is de neerslag van wat er allemaal om je heen gebeurt. Je ziet een uitzending over Biafra op tv, je beleeft van alles. De activiteit boeit mij enorm. En dan moet het verder groeien, zoals een plant. Je moet er weer niet te veel achter zoeken, een letter is mooi, een cijfer is mooi. Beeldende elementen zonder meer, allemaal strepen en notities. Maar je begrijpt me verkeerd als je denkt dat het mij alleen om de esthetische waarde van het visuele gaat. Die esthetische waarde moet mijn persoon aan het werk geven. Ik maak geen kunst met een boodschap, maar belangrijk vind ik die filosofische inslag die iets verder reikt dan zichtbaar is”.

Typerend voor de collages in 1962 is de uitbreiding van de beeldmiddelen met stof, of liever met stukken stof die als panelen zijn geïncorporeerd in het beeldvlak . Door deze beeldopbouw en het materiaal decreteren de collages een strenge ordening.

Als hij in 1963 naast de bekende materiewerken voor het eerst zes collages exposeert zijn de kritieken lovend. Vanaf 1964 is Boers gedurende enkele jaren gefascineerd door tekens, letters, cijfers en vreemde schrifturen die op zijn intieme schilderijen werken als patronen in een oude muur. Als gevolg van de toepassing van de collage-techniek ontstaan in het beeldvlak steeds meer niveauverschillen. Opgeplakte blokjes, vlakjes en reepjes suggereren een grafische ruimtelijkheid in het beeld. De compositie als zodanig blijft strak met ingekraste kleurvlakken waarbij de kleuren neigen naar paars-rood. In de latere jaren zal zijn gebruik van tekens en diverse beeldmiddelen sterk afnemen. Dit streven naar versobering levert tenslotte schilderijen en collages op met eenvoudige ordeningen, van enkele witte kwadraten of horizontale en verticale kleurbanen.

In 1965 zijn twee tentoonstellingen in Groningen berucht geworden door de spraakmakende openingen van de schrijver Gerrit Kouwenaar: “Kunst is een stinkende, open wond. Lang leve de kunstenaar, die te werk gaat als de spreekwoordelijke zachte heelmeester. Boers is alles wat u maar wilt. Abstract en tegelijkertijd concreet, realist, dichter, schilder en collagemaker. Hij is een mens die zichzelf is en zichzelf is en zichzelf bewijst. Wat hij wil? Gaat u maar kijken. Boers is in zijn beste momenten een ruimtemaker in onze benauwdheid”. (Nieuwsblad van het Noorden)

In oktober 1966 verschijnt in de Haagse Post een interview met de dan 61-jarige Willy Boers over zijn ‘tekens’: Sinds 2 jaar ben ik reuze gefascineerd door tekens. Door teksten, woorden en krassen, die je in wachtkamers ziet, in toiletten, muren en cellen. De sporen die de mens nalaat zijn haast nog interessanter dan de mens zelf. De mens vergaat, de tekens blijven. Het zijn informatiepogingen van de mens, pogingen om zich mede te delen. Mijn werk behoort niet tot een bepaalde stroming. Het heeft natuurlijk wel bepaalde invloeden ondergaan, maar ik verwerk dat op mijn eigen manier. Pop-Art, Op-Art en Zero vind ik reuze interessant voor de ontwikkeling van de beeldende kunst. Als ik zo’n Pop-Art schilderij zie met 20 Coca Cola-flesjes of 6 keer Marilyn Monroe erop, vind ik dat een leuke vondst. Je moet eerst leren om te zien op de manier van die jongens, maar dan moet je er mee gaan werken. Ik heb een sterk gevoel van verantwoordelijkheid ten opzichte van het materiaal en veel gevoel voor de charme van de verf. Jonge schilders moeten niet naar de academie gaan, dat is allemaal onzin, ze moeten restaurateur worden, dan leer je alles over de verf”.

Willy Boers, 1969, ‘La Cité’

Willy Boers, 1969, ‘La Cité’

In de loop der jaren versobert zijn werk steeds meer. “Als ik een oud schilderij van mezelf terugzie, merk ik dat mijn nieuwe werk er vaak een detail van is. Ik werk veel ingehoudener nu. Mijn schilderijen zijn op meer manieren uit te leggen. Ze zijn polyinterpretabel geworden. Elke dag is nieuw voor mij. De gebeurtenissen van deze tijd moeten zich toch afspiegelen in je werk. Greetje en ik bezoeken iedere tentoonstelling. Die hang naar actualiteit van ons is soms zelfs een beetje absurd. Maar veel van mijn leeftijdgenoten zijn stil blijven staan. Deze tijd is hard, je werkt voor jezelf, en ik accepteer dat”.

De Pop-Art werken uit 1964-1970 zijn heel precies geschilderde collages. Het betreft meestal een gemengde techniek op board of karton met papier, structuurverf en opgeplakte tekens. Het beeldvlak is asymmetrisch verdeeld in vierkanten en rechthoeken met transparante kleurvlakken en gecontoureerd door geschilderde omlijstingen. Stukken van grote letters of cijfers als actieve beeldelementen domineren het beeldvlak.

In 1966 exposeert Boers ‘Pop-Art’ – schilderijen, gouaches en collages in den Haag. Van alle positieve reacties is die van het Algemeen Dagblad het meest opmerkelijk :

“.. Want eigenlijk zijn al zijn werken, al zijn zij door een diepe grond van kleur verbonden vlakke, collages: synthesen van wat hij uit de tastbare wereld overhevelt en, met een vage notie van wiskundige tucht, ordent in het vlak. Boers is bovendien een schilder die zonder academie maar met een wijs respect voor het ambacht – lang geleden leerde hij het restauratievak – de dichterlijkheid in kwaliteit, behandeling en structuur leerde. Hij behoort tot de kunstenaars die hun eigen stille weg gaan en vaak pas (te) laat ontdekt worden”.

Tien jaar na de Pop-Art periode, in de jaren zeventig, schrijft Willy Boers:

“Ik acht de Pop-Art een belangrijke fase in de ontwikkeling van de hedendaagse kunst omdat zij de monotoon geworden abstracte schilderwijze vervangt door actieve, werkelijke elementen. Hiermee probeert zij een hiaat te vullen dat is ontstaan tussen kunst en leven”.

1970-1978: Eindjaren. Verstilde abstractie met verwijzing naar de Amerikaanse Colourfield Painting. Laastse werk: ‘Boardschilderijen’.

Tot het eind van zijn leven zal de hang naar verstilling steeds meer gestalte krijgen in abstracte schilderijen waarbij het effect van zachte chromatische kleuren uitdrukking is van gevoel en betekenis in tegenstelling tot de expressieve kracht van de lijn. Willy Boers wilde hiermee de aandacht vestigen op de absurditeit van het zijn, of liever op het aanvaarden van die absurditeit.

Willy Boers, 1976

Willy Boers, 1976

De collages van Willy Boers uit beginjaren zeventig vallen op door een ongewoon gebruik van techniek. Er komen letters en cijfers op voor die bijna meetkundig aandoen. Toch komt er geen liniaal aan te pas. Dat geeft de collages de expressieve levendigheid van handwerk. De kleuren van de Construktivisten en de Cubisten sprak Boers wel aan, maar niet de rigiditeit van hun beginselen. Hij noemt zijn kleuren ‘bezonken kleuren’, of ‘nierkleuren’ om de tegenstelling tussen zijn werk en de primaire kleuren van Mondriaan (1872-1944) te benadrukken. Aanvankelijk beperkt hij zich tot het maken van collages volgens een vast systeem met als resultaat reeksen van vierkanten, cirkels en cijfers. Zeer precies werk. Deze gebieden heeft hij jaren achtereen met grote hardnekkigheid verkend. Tenslotte komt hij tot een versoepeling van de strenge werken, een aanpak die zijn basis heeft in zijn voorliefde voor Oosterse tapijten. “Als je een pers bekijkt zie je dat ze soms gewoon eerst de wol van een bepaalde kleur hebben opgemaakt. Daardoor ontstaat net die kleine verspringing in het patroon die het zo levendig maakt”. (Willy Boers)

In 1970 houdt Willy Boers een jubileumtentoonstelling ter gelegenheid van zijn 65e verjaardag met een overzicht van werken vanaf 1945. “Daar een kunstenaar voortdurend onderweg is, betekent deze tentoonstelling geen eindbalans, maar wil zij niet meer zijn dan zij is, namelijk een schakel van een ketting waarvan het einde in het duister ligt”.

In opdracht van de Gemeente moest Boers in 1970 een ontwerp maken voor een kunstwerk in het Nieuwe Flevohuis aan de Kramatweg (bejaardenhuis) in Amsterdam. Foto’s van de vier abstracte zuilen die bij een renovatie verdwenen, getuigen van wat eens een schitterend voorbeeld moet zijn geweest van integratie van Abstracte Kunst en architectuur.

Willy Boers, 1975, olie op board.

Willy Boers, 1975, olie op board.

Vanuit de collages van 1972 begint zich steeds meer een ontwikkeling af te tekenen die gaat sporen met de Amerikaanse Colourfield Painting zoals bij Mark Rothko (1903-1970). Er ontstaan abstracte sobere werken met lichte kleurbanen die op papier zijn geplakt. De tekens, cijfers, letters en opgeplakte vlakjes van de Pop-Art werken met hun overdaad en rijke textuur verdwijnen om geleidelijk plaats te maken voor een bijna puriteinse ingetogenheid van enkel kleur in een vlakke vorm.
De laatste en tevens radicale stap doet Willy Boers met zijn serie ‘boardschilderijen’, zogenoemd vanwege het formaat, de kleur en de brede randen. De boardschilderijen, werken van olieverf op board, zijn gemaakt tussen 1975 en 1977, genummerd 1 t/m 9 en gemiddeld 150 x 100 cm. De kleuren zijn beperkt tot camouflage- en huidskleuren. De effen kleurbanen die over de brede rand lopen zijn oker, paars-blauw, olijf-groen, leverkleur, aangevuld met sienna, Engels rood, groene aarde of gebrande omber.

Na een tentoonstelling in Amsterdam in 1974 volgt in 1976 een voortzetting van de aldaar getoonde 30 boardschilderijen en collages in Franeker. “Willy Boers terug naar de oorsprong” luidt de kop van een artikel in de Leeuwarder Courant. “De kleur is Boers’grootste kracht. Hij gebruikt diepe, warme mengtinten en beperkt zich dus niet tot de primaire kleuren zoals de ideologische Mondriaan. Zijn laatste schilderijen vertonen veel paars en blauw. Willy geeft zoveel warmte, omdat hij zijn gevoelens de voorrang verleent boven de idee. De harmonie die hij niet in de wereld aantreft, verbeeldt hij in zijn werk”.

Het Friesch Dagblad verklaart metafysisch dat: door “de zeer geleidelijke afbraak van alle storende en afleidende overtolligheden, het raadsel van het eigen wezen, dat deel uitmaakt van een collectief-zijn hier op een zuiver beeldende wijze wordt benaderd”.

In het jaar 1977 heeft Boers zijn laatste vier tentoonstellingen in Amsterdam, Twente, Rotterdam en Schiedam. Boers is vertegenwoordigt met 20 collages en boardschilderijen.

Op 12 augustus 1977schrijft Willy Boers zijn filosofische beweegredenen aan zijn vriend Hans Mulder:

Willy Boers, 1953, ‘Kleurige Tekens’, olieverf op doek.

Willy Boers, 1953, ‘Kleurige Tekens’, olieverf op doek.

“Hoewel mijn werk van heden sterk is veranderd, beschouw ik die periode toch als een noodzakelijk gebleken aanloop tot mijn huidige werkwijze. Graag wil ik proberen je hieronder een indruk te geven van mijn intentie van de werken die ik in Schiedam hoop te laten zien. Ten eerste probeer ik te ontsnappen aan contouren en begrenzingen van het ‘zijn’. De verwarring van de tegenstellingen in de wereld waarin wij leven wil ik vervangen door de projectie van een wereld van rust en meditatie. Daarom geen atmosferische diepte en geen licht zoals dat altijd om ons is. In plaats hiervan een innerlijke ruimte en een innerlijk licht. Vorm geven aan het vormloze. Ik probeer zoveel mogelijk niet-kleuren te gebruiken – als zwijgende stemmen. De nuance van de kleur is voor mij zeer belangrijk. Verder streef ik naar een volkomen vlakke schilderwijze, de ‘actie ’van het schilderen is voor mij niet interessant. Ik wil niet beweren dat ik overal geheel geslaagd ben met mijn bedoelingen maar ik ga regelmatig door op deze weg en hoop uiteindelijk te komen tot een synthese van het ‘zijn’. Noem mij maar een rêveur solitair”.

De laatste jaren van zijn leven leidde Willy Boers een teruggetrokken bestaan in Amsterdam pendelend tussen zijn atelier in de Bellamystraat, Sociëteit De Kring en zijn kleine woonetage aan het ‘s- Gravenhekje. Hij sloot zich steeds meer af van de buitenwereld en hulde zich in een diep stilzwijgen wat zijn werk betreft. Alleen Greet, de lijstenmaker en de buren vermoedden dat een slopende ziekte de vitale scheppingsdrang aan het ondermijnen was. Toen de diagnose van de fatale hersentumor eenmaal gesteld was, is hij op een stralende ochtend met zijn vrouw rustig naar de Valeriuskliniek gewandeld. Twee maanden later heeft hij nog waardig afscheid kunnen nemen van zijn bewogen kunstenaarsleven. Een van zijn laatste woorden waren: “Over mij zullen ze pas veel later oordelen”.

Onderschrift: Willy Boers, 1953, ‘Kleurige Tekens’, olieverf op doek.

Epiloog

Men kan bij de beoordeling van alle mogelijke kunstenaars het volgende hoofdcriterium hanteren: is hier de haat tegen het leven of de overvloed aan leven creatief geworden?
Willy Boers heeft gedurende zijn hele leven geloofd in de herenmoraal. De herenmoraal, de voorname moraal, vindt haar wortels in een triomfantelijk ja-zeggen tegen zichzelf. Zij is zelfbevestiging en zelfverheerlijking van het leven. Zij heeft eveneens behoefte aan sublieme symbolen en praktijken, maar dan alleen ‘omdat haar hart overstroomt’. Alle schone kunst, alle grote kunst hoort hier thuis.

Het is niet zonder omzichtigheid vele malen uitgelegd waar Willy Boers met Vrij Beelden en Creatie thuishoren in de geschiedenis van de kunst na 1945. De opkomst van een Vrije Abstracte Kunst was een kapitale gebeurtenis die te denken geeft. Nog nooit is op artistiek terrein zoveel gedacht, zoveel gewild, zoveel gewerkt . En nog nooit werd de rechtschapenheid van de kunstenaars, hun ‘echtheid’ op een vergelijkbaar gevaarlijke wijze op de proef gesteld. Vrij Beelden en Creatie hebben kunstenaars een nieuw geweten toegekend: wat ze na de oorlog van zichzelf eisen, van zichzelf gedaan krijgen, dat hebben ze vóór de oorlog nooit van zichzelf geëist.

Vrij Beelden en Creatie is een tijdperk waardig dat door het nageslacht met schuchtere eerbied het klassieke tijdperk van de ‘Vrije’ Abstracte Kunst kan worden genoemd.

Want gelijk hadden ze, die kunstenaars van Vrij Beelden en Creatie, zo waren ze nu eenmaal. Hoe zouden ze ook kunnen missen wat wij van onze kant bij de niet-mythe-scheppende kunstenaars missen: de vrolijke wetenschap, de lichtvoetigheid, de esprit, het vuur, de bevalligheid, de grootste logica, de dans der sterren, de overmoedige spiritualiteit ….Er waaide een andere wind in de kunst sinds Vrij Beelden’s wind daar waait: men stelt de hoogste eisen aan de eigen scheppingskracht: de mythe wordt voorstelling – de wil geldt als norm. Enkel de mythe-scheppende kunstenaar wekt nog de grote geestdrift op.

Willy Boers bezat de naïviteit van de mythe: hierin ligt zijn superioriteit.

Willy Boers, 1948.

Willy Boers, 1948.

Solo- en groepstentoonstellingen in binnen- en buitenland van Willy Boers

Tussen 1930 en 1994 was Boers vertegenwoordigd op 184 tentoonstellingen in Nederland, Frankrijk, België, Indonesië, Zwitserland, Monte Carlo, Duitsland, USA Virginia en Engeland. Zijn eerste tentoonstelling was in 1930 in het Stedelijk Museum te Amsterdam, zijn laatste tentoonstelling in leven was in 1977 in het Stedelijk Museum in Schiedam. Tijdens zijn leven heeft hij deelgenomen aan 172 tentoonstellingen.

Oeuvre Willy Boers

Zijn werk is o.a. in het bezit van

Literatuur: M.H. van Dooren, Willy Boers 1905-1978, V + K publishing/Inmerc, 1995